Gudy's profileGudy Rooijakkers reisfot...PhotosBlogListsMore Tools Help

Blog


    October 27

    Fietsen in Syrië

    Twee fietsers reizen in Syrië en maken kennis met de eindeloze gastvrijheid van de bevolking.  

    “Marhaba, where are you from”?

     

    Een slok koffie

    Fietsend op weg naar het zuiden van Syrie zien we vele pick-ups rijden volgepropt met schapen. We fietsen langs vele kleine veemarkten waar de beesten verkocht werden. Over een paar dagen is het schapenslachtfeest. Kleurige tapijten hangen te drogen in de zon en de huisraad staat buiten. Iedereen helpt mee om alles schoon te krijgen voordat het feest begint. We krijgen talloze keren thee en koffie aangeboden. Koffie wordt hier gebrand boven het vuur in een lange steelpan en daarna gestampt in een ouderwetse houten koffiestamper. Deze sterk gezette koffie wordt gekruid met kardamon en kaneel. Het wordt in een klein kopje wordt het opgediend. Je krijgt maar slechts een slok, als je genoeg hebt zeg je “shukran”, wil je nog meer schud je met je kopje. In Bosra maken we voor het eerst kennis met de vele oudheden die Syrie te bieden heeft, namelijk Bosra heeft een van de mooiste Romeinse theaters van de wereld. In dit theater speelt een groepje jongens een partij voetbal, en er wordt gepicknickt. ‘s Avonds dwalen we in de donkere gangen van het theater en even ben je in heel andere tijd aangekomen.

     

    Restaurant ja of nee?

    We fietsen een dag later door Jebel el Druz. Het landschap is glooiend en de velden staan in bloei, het is maart en de lente is hier op zijn hoogtepunt. Deze streek wordt bewoond door de Druzen. Hun religie, voortkomend uit de extreem isma’ilitische Sji’a, kent neoplatonische, en andere elementen, o.a. het geloof in zielsverhuizing, zodat weinig van de oorspronkelijke islam is bewaard.

    Na een tijdje zoeken naar een theehuis, vinden we een huis met op het dak een geel bord met een grote Arabische koffiepot en in het Arabisch geschreven? “Restaurant Ali baba”  zeggen we tegen elkaar, en we parkeren de fietsen op het terras en lopen de openstaande deur in. In het midden van de kamer staat een zoubia (kachel) met rondom een tafel met koffie, thee, koek en snoep. Op de bank zitten mensen van jong tot oud vreemd naar ons te kijken. Nu kijkt iedereen toch vaak vreemd in dit soort dorpjes als je met de fiets bent,  maar toch besluipt ons het gevoel dat we misschien niet in een restaurant zitten. Er komt een jongen naar ons toe en hij vraagt in gebrekkig engels “Where are you from, and what do you want?”.  Toch een restaurant, maar de jongen die  Moneer heet, maakte ons duidelijk dat we bij een Druzenfamilie zijn. Zo raken we in gesprek over zaken die iedereen bespreekt in dit soort landen, bijvoorbeeld over getrouwd zijn, kinderen, beroep en Nederland.

    We drinken gezamelijk Maté, dit is een Zuid-Amerikaanse kruidendrank door Syrische gastarbeiders uit Venezuela meegenomen. De Druzen drinken dit in gezelschap en de bereiding word ook temidden van de gasten gedaan. Het glas met kruiden word aangevuld met suiker en warm water, en dan leeggedronken, als je genoeg hebt zeg je “grazie”. Het glaasje wordt daarna weer gevuld met suiker en warm water en dan drinkt de volgende in de kring.  Het is de eerste dag van het schapenslachtfeest en de Druzen vieren dat toch anders als de soenistische of shi’itische moslims. Ze brengen elkaar een kort bezoek om dan weer snel naar het volgende adres te gaan. Zo bezoeken we met Moneer allemaal vrienden en iedereen is vereerd om ons hun huis te laten zien. De begroeting hier gaat als volgt; je schud elkaar de hand, dan volgt en omarming en dan wordt je door een wildvreemde man of vrouw op iedere wang twee keer gezoend. Daarna krijg je koffie, thee en zoetigheid aangeboden.

    Moneer vertelde over het Mausoleum van de Sultan en we gaan het met zijn drieeën bezoeken.  De bouw van het mausoleum van de sultan staat stil want, de sultan was een Druus en president Al-Assad is een Alawiet, hierdoor is er dus weinig geld voor dit soort projecten beschikbaar. Als we terug komen heeft de moeder van Moneer heeft een heerlijke maaltijd voor ons bereid. We nemen plaats op de grond rondom de zoubia op een kleurig tapijt. De Druzen eten dus geen schaap maar een enorme schaal met brood en veel schaaltjes met groenten en andere lekkere gerechten. Ondanks het slechte Engels van Moneer leren we wat over de Druzen. Ze noemen zich het meest gastvrije volk van Syrie. Druzen gaan nooit naar een moskee, ze bidden in hun hoofd. De essentie van dit geloof word doorgegeven door wijze mannen (oekal) boven de vijftig vaak met baard,  een witte tulband en zwarte kleding. Het gevolg is dat vrouwen en jonge mannen niet alles van dit geloof te weten kunnen komen, maar er wel over discussieren. De volgende ochtend is de vriend van Moneer aan de beurt, hij verzorgt samen met zijn vrouw het ontbijt wat veel lijkt op het avondeten. Daarna gaan we nog een aantal keer op visite, en de mensen die we bezoeken willen niet dat we hun vergeten en bij het afscheid krijgen we kadootjes. Moneer vraagt ons  nog twee dagen langer te blijven. Een moment twijfelen we even,  maar we hebben nog een lange weg  te fietsen door Syrie  Uiteindelijk om twee uur s’middags nemen we van Moneer en zijn gastvrije familie. We krijgen als afscheidscadeau een zakje maté en een maté zuiglepeltje mee. Als we omkijken zien we een hartelijke familie uitbundig zwaaien. Dat vergeten we nooit meer.

     

    Van Damascus richting de kust

    We fietsen richting  Damascus en onderweg zien we vele malen het portret van ex-president Hafez al Assad boven propaganda borden zoals; de vlag van de gezamelijke arabische staten (Arabistan), gevechtsvliegtuigen, de stuwdam en fabrieken. In Damascus blijven we een paar dagen en bezoeken de Omayadenmoskee, waar het hoofd van Johannes de Doper begraven zou liggen. In deze moskee is het een gezellige drukte, behalve dat ik een zwarte chador aan moest, heerste er een ontspannen sfeer. Kinderen doen een hardloopwedstrijd in de moskee, en er wordt gepicknickt op het plein. Vervolgens bezoeken we de kleurrijke, kitscherige Souq-al-Hamadiyyeh. Een paar dagen later fietsen we de stad uit richting het noorden waar veel Christenen wonen.  Het Anti-Libanongebergte is schitterend en er ligt nog sneeuw op de toppen. In het gebergte moeten ook nog kluizenaars wonen. We bezoeken wat dorpjes met kerken en maken een orthodox doopfeest mee. Ook bezoeken we het pittoreske tegen de rotsen gebouwde stadje Maalula. In het dorp staat een van de oudste kerken ter wereld met een altaar uit 300 na Christus en de beroemde ‘icoon der wonderen’. De meeste bewoners zijn Grieks-orthodox en spreken Aramees, (de taal van Jezus Christus).  Na alle gastvrijheid van de bevolking in het zuiden verlangen we er naar om wild te kamperen. Het is volle maan en op een hondvrije plaats met uitzicht op het Anti-Libanon gebergte  zetten we de tent op.  De volgende dagen brengen we een bezoek aan Craq de Chevaliers, het grootst bewaarde kruisvaardersburcht in het Midden Oosten. De 4 kilometers vanuit het dorp naar het kasteel waren rond de 18%, dus dat werd het grootste gedeelte lopen. Richting de kust doet het landschap Europees aan de wegen zijn rustig en het ruikt hier heerlijk naar de geur van de bloeiende wilde bloemen. In een dorpje op weg naar Safita stoppen we om wat te gaan eten, tot we er een man aan komt rennen en ons twee broodjes aanbiedt, die net uit de oven komen. Even verder krijgen we een grote zak sinaasappelen aangeboden door een oude in het zwart geklede vrouw. Boven de zee hangen donkere wolken en die komen helaas langzaam onze richting op. In Safita slenteren we ’s avonds wat door de straatjes en lopen één van de vele snoepwinkels in. We zoeken marsepein en bonbons uit en laten het wegen. Heel verbaasd waren we toen we niets hoefden te betalen. De volgende ochtend wilden we de man een geschenk geven als dank en kregen we hier thee aangeboden. In zijn rommelige kleine kamertje stond de televisie hard en er was een arabische soapserie aan de gang, met als onderbreking reclame, propaganda en anti-zionistische televisie. Het regende helaas nog steeds en we besloten het kustgebergte weer te verlaten. Door regen, kou en wind fietsten we via een prachtig kalksteengebergte naar Mousyaf om van daaruit naar Hama te gaan.

     

    Bureaucratie in Syrië

    Ons geld was ook opgeraakt en bij de Nationale bank van  Syrië werden we teruggestuurd naar Damascus omdat zij onze travellercheques niet vertrouwden. We waren een beetje chagrijnig hierdoor geworden, maar gelukkig kregen we hulp. Een niet-bureaucratische Syrier bracht ons naar een slagerij, waar het inwisselen van een travellercheque geen probleem was. Bij de immigration office in Hama, waar we onze visa moeten verlengen, maken we wederom kennis met de bureaucratie van Syrie. Ze laten ze je gerust een uur wachten, terwijl de ambtenaar zijn nagels aan het knippen en vijlen is.  Hama in 1982 in opstand gekomen tegen de regering en is daarom op bevel van president Al- Assad gebombardeerd.  De stad was bolwerk van de Moslim Brotherhood  en de regering voelde zich bedreigd. Naar schatting vielen er 25000 doden en vele mensen werden gevangen genomen. In Hama nemen we het besluit om de weg door de steppe te fietsen richting  Aleppo. We missen dan Apamea, een romeinse opgraving ten noordwesten van Hama. Maar je kunt in vier weken helaas niet alles.  Net buiten Hama belanden we op een veemarkt. Zou hier de MKZ-crisis ook al uitgebroken zijn? Maar er is hier niemand die engels spreekt om het aan te vragen. Volgens de wereldradio zou het in Libanon wel het geval zijn.

     

    Een overval?

    Twintig kilometer verder worden we uitgenodigd  bij een familie. Hun huis is versierd met slingers en er zijn schilderingen van Mekka en een vliegtuig op de muren. De opa en oma, die hun hele leven gespaard hebben voor de Hadj waren net terug met het vliegtuig uit Mekka. Hadj is een van de vijf zuilen van de Koran. We werden opnieuw verwend met thee en zoetigheid.

    ’s Avonds arriveerden we bij Qasr ibn Wardan, en zetten achter deze byzantijnse ruine de tent op. We werden bij het tent opzetten geassisteerd door twee arabieren in lange witte jurken en rode arafathoofddoeken, die ons uitnodigen voor thee, eten en een overnachting. We maken duidelijk dat we wel thee willen en volgen hun naar een bedoeienentent. Een van de mannen is valkentrainer en verkoopt de dieren aan rijke Saoudiers, die in Syrie bekend staan om hun geldverkwisting.  

    De volgende dag vertrekken we vroeg omdat we hadden verwacht dat er nog piste zou komen, maar de hele weg naar Aleppo was strak geasfalteerd en dat voor die twee auto’s per dag die er rijden. Tijdens een pauze stopte er een man op een brommer en probeerde in het arabisch een gesprek met ons aan te knopen. Toen hij merkte dat het te vergeefse moeite was pakte hij zijn radio en zette die luid aan. Daar ging onze rust en we besloten om verder te fietsen langs de bijenkorf huisjes, die typerend voor deze streek zijn.  Na een middag fietsen in een vlak landschap vergelijkend met de Flevopolders, moeten we tegen de avond toch een kampeerplek vinden. We lopen een klein paadje in tussen de ingezaaide akkers zetten we de tent op. Helaas werden we om twee uur gewekt door het geluid van zware motoren. Drie grote vrachtwagens rijden het smalle pad op recht op onze tent af. Geschrokken keken we de acht truckers aan die onze tent hadden opengemaakt.  In slecht engels maken ze ons duidelijk dat we hier niet kunnen slapen vanwege de kou. Onze slaapzak showen we aan ze en dan volgt een discussie in het Arabisch. Een van de mannen roept: “kom mee naar Aleppo dan gaan we feesten en zoeken we een hotel”. “ Nee, we willen slapen”, was ons vermoeide antwoord. Er volgde weer een hoop gekwetter, en dan roept er één “jullie hebben geen eten, dat is niet goed”. Door deze manier van communiceren bleven we in de tent en laten we het eten zien. Na een kwartier concludeert het achttal dat we echt niet mee willen en ook nergens behoefte aan hebben.  We kijken elkaar opgelucht aan en zien 10 minuten later de vrachtwagens steeds kleiner worden.

     

    Vier woorden Engelse taal

     De volgende willen we zo snel  mogelijk naar Aleppo fietsen en ontbijten stevig. Na zeven kilometer komen we in een mooi dorpje met lemen huisjes. We besluiten toch een rondje door het dorp te maken voor wat foto’s. Alle dorpskinderen rennen achter ons aan en weer worden we uitgenodigd. Onze gastheer dit keer heet Abdelkarim. Hij spreekt net als bijna iedereen in Syrië bijna geen engels. Zijn woordenschat in deze voor hem exotische taal reikt tot ongeveer vier woorden. Hij noemt John miss teacher, en de andere woorden zijn because en why. Hij vult de rest van zin aan met het Arabisch en kijkt verbaasd als wij er niets van begrijpen. Hij biedt ons wel tien keer aan om te telefoneren, het maakt hem niet uit waarheen. Aangezien je bij een particulier niet naar het buitenland kan bellen, houd het voor ons op. Om toch de werking van zijn telefoon te demonstreren belt hij zijn vrienden op en binnen tien minuten zit zijn huis vol met mensen. Eigenlijk willen we na dit vermoeiende halfuurtje vertrekken, maar onze gastheer hield ons tegen. Even later wordt het duidelijk waarom, toen er een ontbijt binnengebracht werd. We krijgen veel brood, gekookte eieren, tomaten, yoghurt, thee en warme geitenmelk. De moeder van Abdelkarim met haar gelooide, getatoeëerde gezicht  kwam heel dicht bij Gudy zitten. Omdat ze vier woorden minder engels sprak dan haar zoon en toch wilde communiceren betastte ze haar. Uiteindelijk proberen we Abdelkarim te vertellen dat we in Aleppo een afspraak hebben met een vriend en dat we daar nog voor donker moeten zijn. Al rennend begeleid hij ons van zijn huis naar de weg, want stel je voor we zouden wel kunnen verdwalen in dit dorp van vijftien huizen. We voelen ons allebei bevrijd en voor even hebben we genoeg gehad van de eindeloze gastvrijheid van de Syrische bevolking. In Aleppo bezoeken we het Nationaal Museum, de Citadel, en de spectaculaire ondergrondse soeks.  Een paar dagen later fietsen we de stad uit richting het noorden. Hier liggen verlaten byzantijnse steden,  en in een van die dode steden zetten we de tent op, dit is  een prima camping met veel grote stenen en een mooi uitzicht. De volgende dag fietsten we door Koerdisch gebied en dit is een arm en dunbevolkt gebied en de dorpjes liggen op een kalksteenplateau. We volgen de weg naar het Simonsklooster en daarna volgt een schitterende afdaling naar de hettitische opgraving Ain Dara.

     

    Operation storm in desert

    Vanuit Aleppo  krijgen we snel een gratis lift van twee Libanezen aangeboden. De hele weg naar Homs werden we geteisterd door de luide muziek van de zangeres Feiruz, die de harten heeft gestolen van vele Syriërs en Libanezen. De laatste dagen van de vakantie zijn er aan gekomen en we komen terecht in een zandstorm op weg naar Palmyra. Het traject van 170 kilometer fietsen we in een dag.  In Palmyra blijven we twee dagen om alles te bekijken en te fotograferen. Palmyra, is een palmoase midden in de woestijn en in de oudheid Tadmor genaamd was het een zelfstandige stadstaat die onder de Romeinen vanaf de eerste eeuw voor Christus tot bloei kwam. Het is een van de belangrijkste historische plaatsen in het Midden-Oosten. Als karavaanstad genoot Palmyra veel bekendheid tijdens het bewind van de legendarische koningin Septima Zenobia (267 - 272). De volgende dag bezoeken we de ondergrondse en bovengrondse graftombes en het museum. ’s Middags dwalen we nog wat door de palmentuinen en daar krijg je honger van en later eten we Mansaf’ een typisch bedoeïenschotel met rijst, kip en verschillende noten. De volgende dag fietsen we rondom de oase.  We bezoeken de tempel van Baal, de belangrijkste god van de stad en bekijken nog een keer de roze gekleurde mooie stad met zijn goedbewaard gebleven toegangspoort, amphitheater en tetrapyloon. We reizen per bus terug naar Damascus en fietsen twee dagen later richting het vliegveld. Vier uur voor het vertrek naar Nederland staan we bij de Zeinab moskee. Dit is een pelgrimsoord voor de shi’itische moslims. Zeinab is de dochter van Ali en ligt in deze moskee begraven. De rouwvlaggen hangen in de kleurige minaretten van de moskee. We horen een indringend trommelgeluid en vrouwen staan langs de kant van de weg te huilen. Vandaag wordt de marteldood van haar broer Ali herdacht. Dit duurt 10 dagen en elke avond lopen jonge en oude mannen in een stoet langs en slaan zichzelf met de zweep. Daar staan we dan, twee fietstoeristen twee uur voor het vertrek uit een fantastisch Syrië. Het land maar vooral de mensen zullen we niet snel vergeten.

    per ATB door Svanetie

    Per ATB door Svaneti

    De Alpen maar dan anders.

     

    Vijf jaar terug hadden we de wens om door Svaneti in Georgië te fietsen, maar toen was het daar onveilig. Al eeuwen zijn de bergen van de Kaukasus berucht vanwege rovers. In oktober 2007 fietsen John Telleman en Gudy Rooijakkers twee weken door dit unieke berglandschap.

     

    Tot voor kort was een reis door de Georgische provincie Svaneti onmogelijk. Rovers ontdeden je op de heenweg van alles wat enige waarde heeft. De regering Saakashvili heeft een paar jaar geleden met helikopters invallen gedaan bij maffia families in Svaneti. De meeste rotte appels zitten nu in de gevangenis. Dit is voor ons het signaal om de sprong te wagen.

     

    Svaneti is bekend om zijn woontorens. Deze woontorens zijn in de twaalfde en dertiende eeuw gebouwd en dienden vroeger om bescherming te hebben tegen vijandige stammen. De landschappen lijken op die in de Alpen. Svaneti is meer ongerept, want er zijn veel minder wegen en dorpen. Vanuit Zugdidi rijden we noordwaarts richting de bergen van de hoge Kaukasus. In de laagvlakte groeien bolgeschoren thee struiken. Omdat het klimaat heel gunstig is, groeien hier citrusvruchten, druiven en vijgen in overvloed. Via het langgerekte Jvari stuwmeer komen we aan in Svaneti. Langs het Jvari stuwmeer en de Inguri vallei zijn geen twee vierkante meter vlak. Rechts van ons gaan de rotswanden steil omhoog en links kijken we een diep dal in.

     

    Vreemden in het bos

    “We moeten binnen een uur een plek voor de tent vinden” zegt Gudy. Doorfietsen tot het dal zich verbreed is de enige optie. De laatste 30 kilometer hebben we geen enkele boerderij gezien. In de schemer zien we een zijdal. We zijn dolblij als we in de eikenbossen enkele golfplaten daken zien glimmen. In de schemer lopen we naar de eerste boerderij waar twee honden gevaarlijk staan te blaffen. Door het struikgewas heen zien we een hartelijk lachende boerin, genaamd Noya. Ze runt ook een eethuisje wat in het midden van het donkere eikenbos staat. Ze stookt haar fornuis op hout en maakt een heerlijke maaltijd voor ons klaar. Met ons woordenboekje proberen we met haar te communiceren. Noya is trots om Svan te zijn en zingt een prachtig lied voor ons. Zij laat ons ook de traditionele dans zien.

     

    De Matterhorn van Georgië

    Verkruimeld asfalt brengt ons langzaam naar het hooggebergte. Overal om ons heen zien we witte bergkammen. Vlak voor het dorpje Becho slaat de weg een flink zijdal in. “Kijk de Georgische Matterhorn”, roept Gudy buiten adem. Het uitzicht op de Mount Ushba is overweldigend. We stappen af en bewonderen deze berg. Twee piramides tegen elkaar, flink veel sneeuw, een knalblauwe lucht en dorpen met woontorens. “We hebben geluk, dit uitzicht is nog mooier dan de foto’s in de reisgids” zegt Gudy.  Richting Mestia zien we steeds meer dorpjes met middeleeuwse woontorens. Dezelfde avond bereiken we Mestia, de hoofdstad van Svaneti. In heel Svaneti zijn geen hotels, maar in sommige dorpen hebben enkele families een bed and breakfast. Voor ongeveer 12 euro per persoon krijg je ontbijt, een bed en avondeten. Als we vertellen dat we naar Ushguli gaan, bakt onze gastvrouw een paar extra kachapuri’s, (kaasbroden).

     

    Terug in de tijd

    Kom je op de hoofdweg vanuit Zugdidi al weinig auto’s tegen, het stuk naar Ushguli is voor de ware autoliefhebber een echte kwelling. De weg is onverhard en klimt flink over naamloze pas. We komen in een schitterend dal, waar de tijd heeft stilgestaan. Boeren halen hun laatste hooi oogst op. Twee koeien slepen een primitieve slee met een stapel hooi van de weide naar de schuur. Ze loeien flink als ze de steile helling van de schuur opmoeten. Het leven is hier puur. Knoestige kerels met handen van leer en roodverbrande gezichten nodigen ons uit voor kachapuri en wijn. “Voor Georgiërs is een gast een geschenk van god”, zegt Gudy. Qua eten en drinken is bijna iedere Georgiër rijk. Velen hebben een stukje land met groenten, wijn en vee. Je ziet rijk gevulde tafels met eerlijke gerechten.

     

    Naar het hoogste dorp van Europa

    Ushguli ligt in een groene vallei op 2200 meter boven de zeespiegel. Georgië claimt dat Ushguli het hoogste permanent bewoonde dorp van Europa is. Er zijn bijna geen auto’s en tussen de middeleeuwse woontorens scharrelen varkens en koeien. Achter het dorp rijst de enorme wand van de Mount Shkhara omhoog. Dit is met 5068 meter de hoogste berg van Georgië. In Ushguli nemen we een rustdag en wandelen door de vier buurtschappen van het dorp. We wandelen ook naar de gletsjer van de Mount Shkhara.

    We vervolgen onze weg over de Sagar Ughelt, of wel de suikerpas. We klimmen naar een hoogte van ongeveer 2700 meter. De afdaling is steil. We lopen kilometers omdat diepe geulen het fietsen onmogelijk maken. Er volgt een diep dal waar het zonlicht nooit komt. Door de vele riviertjes is de weg een afwisseling van modder en plassen die even breed als de weg zijn. Afdalen over dit wegdek is geen fluitje van een cent. Besmeurd met modder arriveren we in Sasasi.

     

    Water, wijn en grenzeloze gastvrijheid

    Aan een stel oude mannen zittend op een bankje vraagt Gudy “Karawi?”. Karawi betekent tent. “Even wachten” is het enige wat we van het antwoord begrijpen. Na tien minuten komt Omechi, een student informatica en hij spreekt Engels! We mogen in de tuin van zijn moeder kamperen. Onder de pruimenboom geeft hij ons water te drinken. “Bronwater!” roepen we in koor. “Er liggen rondom het dorp vier bronnen allemaal met verschillende smaken mineraalwater” vertelt Omechi. Tegen de schemer lopen we naar de dichtstbijzijnde bron. We lopen via een donker eikenwoud en langs een kerkhof waar de vader van Omechi begraven ligt. De bron ligt in een voormalig vakantieoord uit de Sovjettijd. Het bronwater zijpelt uit een vervallen Sovjet monument. In navolging van Omechi spoelen we onze ogen met het koolzuurhoudende water. “Al je vermoeidheid is direct verdwenen” belooft Omechi. “Hij heeft gelijk, dit zou je ook in Nederland moeten hebben” mompel ik terwijl we naar Omechi’s huis lopen.

     

    Gaumarjos

    Ondertussen heeft Omechi’s moeder een supra voorbereid. Een supra is een ceremoniële Georgische maaltijd. Nieuwsgierig naar twee Hollanders komen Omechi’s vrienden en broers binnen. Op de lange tafel staan de heerlijkste gerechten. Er wordt veel geproost. “Gaumarjos!” Dat betekent op uw overwinning of proost! We proosten op Georgië, op Nederland, op de first lady van Georgië, Sandra Roelofs, en uiteindelijk op Omechi’s overleden vader. Omechi is de tamada, ofwel toastmeester. Zijn rol is filosoof, dichter, grappenmaker en zanger. Tijdens zijn toast op zijn vader kijkt hij naar de foto waar zijn vader op prijkt. Hij slaat een kruis en morst wat wijn op zijn bord. Dit doet hij uit respect voor de doden. “Gaumarjos” en de wijnglazen raken elkaar en worden in één teug leeggedronken. De tent op zetten wordt niet geaccepteerd. Twee bedden zijn al door Omechi’s moeder opgemaakt. De volgende morgen eten we de resten van de supra op. Met buikpijn van het vele eten nemen we afscheid. Gastvrijheid is een van de mooiste schatten die Georgië te bieden heeft. Met voldoende stof om te overdenken en op onze kleding rijden we naar Kutaisi, de tweede stad van Georgië.

     

     

    Informatie

     

    Georgië is voor 40% bedekt met bos. In het westen grenst het aan de Zwarte zee en hier heerst een subtropisch klimaat. In het oosten grenst het aan Azerbeidjaan en hier vind je een golvend steppe landschap. De noordgrens met Rusland wordt begrensd door de hoofdkam van de hoge Kaukasus. Hier vind je tientallen 4000ers en enkele bergen halen de 5000 meter. Heel Georgië is bergachtig. Bijna iedere dorp of stad heeft een antieke kerk, klooster of kasteel.

     

    Geschiedenis

    De Grieken kenden het land als Colchis, hier speelde de mythe van Jason en de Argonauten zich af. Georgiërs zijn voor het grootste deel Georgisch orthodox en zijn al sinds de 4e eeuw Christelijk. Georgië heeft vele veroveringen te verduren gehad. Mongolen, Turken, Perzen en als laatste de Russen. Georgië heeft vanaf 1800 onder Russische invloed gestaan, en is na 1991 een onafhankelijke republiek geworden. Op Abchazië en Zuid Ossetië na is het rustig in het land.

     

    De beste reistijd

    De winter is te koud en de zomer te heet. De lente en herfst zijn ideaal om Georgië te verkennen. In de vroege lente zijn de wegen in de bergen onbegaanbaar wegens sneeuw.

     

    Gezondheid

    Georgië is een land in opbouw. Alleen in steden als Tbilisi en Kutaisi kan je op ziekenhuizen van enige kwaliteit rekenen. Het water hebben we overal gedronken. Voor inentingen kijk je op de site van b.v. de GGD.

     

    Hoe er te komen

    Georgian Airlines vliegt in ongeveer vijf uur rechtstreeks naar Tbilisi. British Airways, Austrian Airlines en Turkish Airlines vliegen via hun hoofdsteden.

     

    Vervoer ter plaatse

    Bijna alle wegen zijn slecht. Als fietser zigzag je om de kuilen en hobbels heen. Op de rustige B-wegen rijden de auto’s langzaam vanwege dezelfde kuilen en hobbels. De fiets kan gemakkelijk mee in de trein. Er is een vrachtruimte in ieder rijtuig.

     

    Geld

    De valuta is de Lari. Voor grote bedragen wordt de Amerikaanse Dollar geaccepteerd.

    In grotere plaatsen kan je geld halen met de pinpas, creditcard en travellercheques.

     

    Fiets

    Je fiets moet in topconditie zijn. Een racefiets of lichte hybride is door het slechte wegdek ongeschikt. Een stevige hybride of ATB met brede banden is noodzakelijk. 26 inch banden zijn op enkele plekken in het land te vinden.

     

    Wegennet

    Volgens de huidige president Mikheil Saakashvili worden de wegen in rap tempo geasfalteerd. Veel wegen in de bergen zijn uiterst slecht en vaak onverhard. Deze wegen zullen als laatste geasfalteerd worden.

     

    In het spoor van Marco Polo

    In het spoor van Marco Polo

    Enthousiaste ontmoetingen in Oezbekistan en Tadzjikistan

    Gudy Rooijakkers fietste samen met John Telleman vijf weken door Oezbekistan en Tadzjikistan.

                          

    Het kan zomaar gebeuren dat je spontaan in de armen wordt genomen. De mensen in Oezbekistan en Tadzjikistan zijn hartelijk en gastvrij en lachen je met een mond vol gouden tanden toe. Op de fiets ontdek je deze landen en hun bevolking het best. Waarom zou je in deze landen willen fietsen? Oezbekistan en Tadzjikistan liggen aan de zijderoute, een eeuwenoude verbinding tussen Europa en China.

     

    Steden als Samarkand, Boechara en Khiva spreken vandaag nog tot de verbeelding.

    Moskeeën, medressas en mausolea zijn voorzien van blauw geglazuurde tegels die schitteren in de zon. Maar dit deel van Centraal-Azië heeft veel meer te bieden. Ook op het platteland zijn er levendige markten. Uitgestrekte woestijnen wisselen af met ijzige hooggebergtes. Naast een katoen monocultuur in Oezbekistan zijn er bergen waar de mensen al eeuwen in lemen huizen wonen. Tadzjikistan bestaat voor 80% uit hooggebergte.

     

    Kom in ons huis slapen

    In Tankelmush in Zuidoost-Oezbekistan twijfelen we op een kruispunt van verharde wegen. “Welke kant gaan we op”? Onmiddellijk schiet een echtpaar ons aan. “Kom in ons huis slapen”. Waar maak je dat mee dat je als wildvreemde deze uitnodiging krijgt? “Ga morgen mee naar de wekelijkse bazaar in ons dorp,” is het volgende aanbod.

    Het geluid van paarden, ezels en auto’s wekt ons vroeg uit onze nachtrust.

    We struinen tussen de traditioneel geklede mannen en vrouwen over de bazaar. Alle dagelijkse dingen bieden de kooplui aan. Levensmiddelen zien wij weinig, want bijna iedereen verbouwt hier zijn eigen voedsel. Het nieuws over twee Hollanders op fiets verspreidt zich als een lopend vuurtje over de uitgestrekte marktterrein. De verzamelde meute bekijkt ons nieuwsgierig, maar niet opdringerig. Op het moment dat we op de fiets stappen richting Baysun, breekt een luid gejuig en gewuif los. Wat een afscheid!

    Het landschap is dor, maar de rit is niet saai. Tussen de glooiende heuvels liggen lemen dorpen. Vrouwen werken op het land in een soort badjas en sloffen. Ook in de dorpen lopen de dames in deze kleurrijke kledij rond. Meer dan 65 jaar communisme heeft ervoor gezorgd dat de vrouwen niet veroordeeld zijn tot in huis te blijven, zoals in sommige andere Islamitische landen.

     

    Hier kun je geen tent opzetten

    Normaal beoefenen de mannen met hun karakteristieke koppen de streeksport Buskashi. Dit is een worstelsport, maar de worstelaars zitten op een paard. Al worstelend moeten de mannen een dode geit bemachtigen en die over een doellijn werpen. Buskashi is hier razend populair, maar tijdens deze Ramadan-maand ligt de competitie stil.

    We krijgen geen genoeg van de indrukwekkendheid van dit ongerepte gebied.

    De gemene hellingen kwellen onze kuiten, maar we besluiten toch om nog langer door de bergen van Oezbekistan te fietsen.

    Terwijl we aanstalten maken om onze tent op te zetten naast een rivier spreekt een vrouw ons aan. Ze is gekleed in een lange jas met grote bloemen: “Hier kun je geen tent op zetten, want het is koud ‘s nachts en jullie moeten eerst eten”. We kijken naar haar, hoe ze dit aan ons duidelijk maakt. De tent gaat weer op de fiets en we lopen achter de vrouw aan naar haar huis. In het huis worden we onthaald door de verzamelde familie. De oudste is een schattig 85-jarig omaatje. Voor het eerst in haar lange leven ziet zij westerse fietsers in haar dorp. Het zwaar gerimpelde vrouwtje begroet mij enthousiast. Oma blijft in mijn handen knijpen. Voor ons vertrek op de volgende dag krijgen een grote zak walnoten in onze handen gedrukt als geschenk.

    Het zit ons niet mee: de klim naar de bergpas slaat alle voorgaande klimmende wegen. Hier valt niet tegenop te fietsen. Dit betekent lopen! Moeizaam sleuren we onze fietsen naar boven. We blazen even uit langs de weg en we kraken een stel walnoten. Een stel motorrijders giert naar beneden. Ze stoppen. Een man gekleed in een traditionele fluwelen lange jas komt van zijn motor af. Hij vliegt John spontaan in de armen en lacht mij met zijn gouden tanden toe. ”Waar komen jullie vandaan?” “Holland”. Geen reactie, verkeerde uitspraak zeker: “Kalandia.”  Beet! “ahhh, Goelit, Van Basten!” Menselijke communicatie is meer dan het spreken van een taal. Openheid, gastvrijheid en het geduld van de mensen zijn eigenlijk veel belangrijker. Door alle boeiende ontmoetingen doen we over de 11 kilometer naar Langar bijna een hele dag!

     

    Groene thee en een kom sjorpa

    In Tadzjikistan fietsen we ook door een ongerept maar hoger gelegen berglandschap. De dorpen laten duidelijk zien, dat we in een van de armere landen in de wereld zijn. We hebben het gevoel dat een tijdmachine ons vele decennia heeft terug gezet  Asfalt is veelal onbekend en onze rijwielen hobbelen over de losse stenen.

    In ieder dorp staan we met onze fietsen meteen in de belangstelling. Soms duikt een theehuis op. Ideaal om uit te rusten achter een grote pot groene thee en een kom sjorpa (soep gemaakt van schapevet) met vers brood.

    Fietsen in Tadzjikistan betekent nog meer klimmen dan in Oezbekistan. Een hoogtepunt is de op 3373 meter gelegen Anzob pas. Eindelijk boven striemt plotseling een heftige sneeuwstorm op ons los. We zien elkaar niet meer op een meter afstand. “Helaas, geen restaurant om in te schuilen” roepen we naar elkaar. De redding is echter nabij, een man met een serie gouden tanden spreekt ons aan: “Ik ben meteoroloog, kom snel met mij mee naar binnen, want de sneeuwstorm wordt nog erger”. Het duurt wel even voordat we hem begrijpen. Door de vers gevallen sneeuw sjokken we mee naar zijn kleine onderkomen. De warmte van een knetterende houtkachel komt ons aangenaam tegemoet. Nuredin onze gastheer woont het grootst gedeelte van het jaar eenzaam op de Anzob pas. De meteoroloog controleert elk half uur de temperatuur en luchtvochtigheid. Dat doet onze gastheer wel met apparatuur van minstens vijftig jaar oud.

    “Jullie hebben geluk, want er is beter weer op komst”. Nuredin krijgt echter geen gelijk. De volgende dag dalen we in een sneeuwstorm af naar de hoofdstad Doesjanbe. Ineens zijn we weer terug in 2006: wat een schril contrast tussen hoofdstad en de rest van het land!

    In de luxe blikken we terug. Zonder al de lieve mensen die we ontmoet hebben zou onze fietsreis in deze prachtige landen niet compleet zijn.